Eén dezer dagen vergadert de SER over de scholing van de or, met name de vergoedingsregeling staat ter discussie. Het GBIO als een orgaan van de SER kan opgeheven worden vinden de werkgevers. En de werknemers hebben tot op heden nog niet laten blijken dat tegen te zullen houden.
Met andere woorden het GBIO staat ter discussie en het is onduidelijk wat nu precies de doelen zijn die de werkgevers en de werknemers nastreven. Een administratieve oplossing zal er wel niet komen want dan was het al opgelost. Dus het gaat niet om de manier waarop het geld geregeld wordt maar om het geld zelf. En het gaat om de certificering van de uitvoerende bureaus. Maar een flinke ingreep is wel te verwachten. Dat zullen de or-en dus ook in hun opleidingen gaan ervaren. Ik behoor niet tot degene die alles wat van vroeger is beter vindt, dus ik denk dat ook deze regeling weleens aan hervorming toe.
Wat is er vreemd aan de regeling? Dat is dat de instelling die de scholing uitvoert ook de verrekening doet van de vergoeding. De klanten (or-en) zien dus niets van de vergoeding want die zien alleen de opleidingskosten minus de vergoeding op de factuur staan. De vergoeding wordt door het GBIO aan de instelling die de opleiding uitvoert betaald. Die instellingen zijn geselecteerd en worden gecontroleerd op kwaliteit. Deze regeling is een doorn in het oog van de ZZP-ers waarvan er veel in deze sector opereren, want die kunnen alleen met vergoeding opleidingen uitvoeren als ze aangesloten zijn bij een erkend opleidingsbureau.
Overigens zijn er vele opleidingsbureaus voor bedrijfsopleidingen in tal van bedrijfstakken die ook met een vergoedingsregeling werken maar waar de klant de vergoeding moet aanvragen en uitbetaald krijgt. Maar ook hier werkt de certificering op een gelijksoortige wijze als bij het GBIO.
Het is een erkent feit dat het bestaande systeem veel aan de ontwikkeling van het or-werk heeft bijgedragen. Is het stoppen vanwege het geldelijke vergoedingsregeling dan ook een gelijke stagnatie van die ontwikkeling? Dat is wel de verwachting van veel van de huidige opleidingsbureaus. En is dat dan conservatisme en angst voor het verlies van omzet en marktpositie en is dat terecht?
In het werkgeversdenken staat het versterken van de marktwerking natuurlijk hoog in het vaandel. En de huidige regeling veroorzaakt een werkwijze is die niet uitblinkt in een goede marktwerking. In eerdere stukken van mijn hand en in mijn vroegere functie als directeur van BPO heb ik de geringe ontwikkeling van de kwaliteit van de opleidingen hieraan verweten. Er is te weinig uitdaging en vraag naar vernieuwing.
Meer concurrentie zal zich uiten in het aanbod en de prijs en dat zal zeker de bureaus stimuleren met meer keuze van het opleidingsaanbod te komen. Dan kunnen ook de or-en meer eisen stellen en vragen naar variatie in soorten opleidingen en met name naar ondersteuning met de technische middelen daarvoor. Dan zal niet het systeem van de vergoedingen gebaseerd op de scholingsrechten, maar de kwaliteit van de opleiding de or-en moeten verleiden om hun opleiding in stand te houden.
We zullen toch niet meemaken dat werkgevers hun or-en laten verkommeren voor wat centen, waardoor ze een slappe en ondeskundige gesprekspartner in de onderneming overhouden.
Cor P. Berkel
Redacteur OR-Online
