vrijdag 9 december 2022

Onderwaardering van praktisch vakmanschap

werkbroek met hamerVakmanschap is meesterschap

Deze maand las ik met grote verbazing in de NRC dat we in Nederland vooral meer hoogopgeleiden nodig hebben. Dit past in een algehele trend van overwaardering van theoretische opleidingen en onderwaardering van praktisch vakmanschap.

>>> Lees hier het artikel op Binnenlandsbestuur.nl, waarin de arbeidsmarktontwikkeling vraagt om praktisch opgeleiden


 

Waarom is dit relevant voor mijn OR?

Het artikel illustreert één van de uitdagingen van de huidige arbeidsmarkt. Er is een tekort aan personeel en er is zéker een tekort aan praktisch opgeleiden. Eigenlijk is het niet eens een probleem van de arbeidsmarkt, maar moeten we de oorzaak eerder zoeken in educatie.

We leven in een land waarin de trend is om een zo hoog mogelijke opleiding te volgen. Liever universiteit dan hbo en liever havo/vwo dan een praktisch gerichte mbo-opleiding. We hebben geleerd dat als je theoretisch opgeleid bent dat ‘beter’ is dan praktisch opgeleid. En dat is niet raar want door de bank genomen betalen we de eerste categorie werknemers beter dan de laatste. En dus zijn er veel schoolverlaters die graag zo snel mogelijk carrière willen maken en zo snel mogelijk een leidinggevende positie willen hebben. Maar wat hebben we aan al die coördinatoren en leidinggevenden, als er niemand is om leiding aan te geven? Deze trend wordt al gestimuleerd in de schoolbanken. Mbo-studenten ontvangen een bedrag aan studiefinanciering dat lager is dan als je studeert aan een hbo of universiteit. Zo wordt ons al vroeg geleerd dat het één schijnbaar ‘beter’ is dan het ander.

En dat is een gemiste kans want huizen worden niet gebouwd door constructeurs en supervisors maar door metselaars, schilders en timmermannen/vrouwen. En goede zorg wordt niet alleen geleverd door basisartsen en psychologen, maar juist door verpleegkundigen en thuiszorgmedewerkers. Een avondje uit eten wordt een feestje vanwege die fantastische chefkok en dito restaurantmedewerkers die goed op elkaar zijn ingespeeld.

Ondernemingsraden kunnen denken dat dit onderwerp niet aan hen besteed is. Maar niets is minder waar. In het artikel 24-overleg met jouw bestuurder heb je de positie na te gaan hoe dit onderwerp jullie organisatie raakt. Hebben jullie veel vacatures voor praktische mensen? Of zijn er juist veel vacatures voor theoretisch opgeleide mensen? Wat is de verhouding tussen het aantal medewerkers dat op kantoor werkt en in het primair proces, het proces dat de kern raakt van jullie bestaansrecht? Wat is de verhouding tussen het aantal coördinerende en leidinggevende taken enerzijds en praktisch uitvoerende taken anderzijds? Welk percentage van het opleidingsbudget wordt besteed aan theoretische scholing en hoeveel aan praktijkgerichte scholing? Hoe verloopt de salarisontwikkeling voor de hoge salarisschalen ten opzichte van die van de lagere schalen?

Kortom, stellen we de juiste prioriteiten gezien de ontwikkelingen op de huidige arbeidsmarkt of doen we nog steeds wat we altijd deden en missen we hierdoor misschien wel kansen? Via artikel 23 van de Wet op de Ondernemingsraden hebben jullie als OR de positie om een voorstel te doen om de focus te richten op praktijkgericht vakmanschap.